woont sinds 2003 in Amsterdam


– Nederlanders lijken moeite te hebben met directe confrontaties en discussies. Ze zijn conflictvermijdend en gaan niet zo snel met iemand in de clinch.
– Nederlanders zijn rad van tong, verbaal begaafder dan Belgen maar lijken minder vaak over de benodigde achtergrondkennis te beschikken om een degelijke opinie of mening te formuleren
– De Nederlandse ziekenzorg is minder efficient dan de Belgische. In België kun je zomaar bij een arts aankloppen. Boven de Moerdijk moet je eerst 26 formulieren invullen vooralleer je geholpen wordt.
– Het Engels van Nederlanders is voortreffelijk. Zo voortreffelijk dat ze hun Vlaamse Zuiderburen zelfs in die taal aanspreken.
– Belgen zijn polygloot, in Nederland wordt iemand die de Franse taal machtig is vaak beschouwd als ‘overgeciviliseerd’
– Belgen pronken graag met kennis en eruditie, in Nederland wordt je als snel als een intellectueel bestempeld als je en passant een denker citeert of een boek aanhaalt.
– Nederlanders vinden Belgen per definitie schattig, gezellig en charmant (het pygmee-syndroom). Belgen vinden Nederlanders doorgaans grof, luidruchtig en onbehouwen.
– De Nederlandse telefoonmaatschappijen lijken hopeloos incompetent en je moet al blij zijn als ze je telefoonlijn uberhaupt willen aansluiten, alsof het een vorm van gratis dienstverlening is en ze er niet voor betaald worden.
– Nederlandse mannen zijn in de regel net als hun Teutoonse buren niet bepaald hoffelijk en galant. Ze gooien zonder met de ogen knipperen de deur in je gezicht and they ‘go Dutch on dates’.
– Nederlanders zijn ‘regelvaster’ dan Belgen. In België lijken wetten en voorschriften gemaakt om ze te vermijden en te omzeilen, naar je eigen hand te zetten. In Nederland is zulks onaanvaardbaar en wordt het ‘negeren’ van regels gezien als een vorm van corruptie
– Nederlanders zijn minder koppig en minder individualistisch als Belgen, ze zijn sneller bereid compromissen te sluiten en mee te gaan met de communis opino
– Opvallend is het pragmatisch utopisme van de Nederlanders. Grootse idealen worden altijd weer in de praktijk gebracht, ook al blijkt keer op keer dat ze in de realiteit niet werken of uitlopen op een mislukking.
– In België lijkt de romantische opvatting over de kunstenaar als een armoedige doch bevlogen bohemien nog steeds te overheersen. In Nederland ziet men de kunstenaar eerder als een soort gewiekste handelaar in ideeën.
– België lijkt te bestaan bij gratie van een groot gevoel voor absurditeit en ironie. Dit lijkt in Nederland nagenoeg afwezig.
– De service in Nederlandse café's en restaurants is abominabel. Je moet bij wijze van spreken vlaggezwaaien of vuurwerk afsteken voor je de aandacht van een ober kunt trekken, sigaretten moet je altijd zelf uit de automaat trekken en wijn wordt zonder verpinken van de linkerzijde geserveerd, ook in kwaliteitstenten.
– Delicatessenzaken zijn in Noord Nedeland moeilijk te vinden. Idem dito voor ricotta, champagne en bressoala.
– Nederlanders stammen niet af van de Bourgondiers. Er wordt gegeten en gedronken maar generaliserend gezegd wordt er minder aandacht aan besteed als in België waar dineren en drinken een soort sociale rituelen zijn.
– In België zie je een groter aantal ferrari’s, porsches, mercedessen en BMW’s in het straatbeeld en lopen begoede dames vaker in nerts en behangen met juwelen rond. In Nederland lijkt er een taboe te rusten op het etaleren van materiële rijkdom.
– Het brood van de Nederlandse bakker voelt aan als spons en smaakt naar karton, het brood uit de Nederlandse reformwinkel heeft veel weg van gerecycleerde baksteen
– Nederlanders hanteren net als Noren, Denen en IJslanders de kaasschaaf. Zulks is in België ondenkbaar.
– Nederlanders lijken op het eerste gezicht jovialer en opener dan Belgen die soms nogal stug en gesloten overkomen. Nederlanders praten sneller en vlotter met onbekenden over koetjes en kalfjes. Op het tweede gezicht blijkt het vaak om een oppervlakkig en ‘Amerikaans’ soort vriendelijkheid te gaan, 'skating on the surface', gelegenheidsbeleefdheid.
– Gastvrijheid is in België bijna net zo’n belangrijke begrip als in ‘Oosterse’ landen. Als iemand bij je te gast is, zorg je voor een full package, betaal je eten en drank – ook buitenshuis.
– In Nederland kun je overal pinnen maar nergens met je bankkaart betalen
– De AH wordt gezien als een luxesupermarkt terwijl het gamma aan -, en de kwalitiet van de aangeboden waren relatief beperkt is in vergelijking met Belgische supermarkten.
– Nederlanders borrelen om 16 u, gaan naar vernissages om 17 u, eten om 18 u om vervolgens om 1u terug thuis te komen van een café-bezoek. De tijdsindeling in België is ‘mediterraner’ en alles gebeurt later op de avond.
– Nederlanders houden van efficiëntie en desondanks wordt er – naar Duits model – vaak, lang en onnodig vergaderd zonder dat men ooit tot concrete resultaten komt. Het principe van de horizontale democratie – iedereen mag zijn zegje doen – zorgt vaak voor onnodige lange meetings. In België zijn overlegsstructuren hierarchischer en komt niet iedereen aan bod. Wel komt men op die manier sneller tot oplossingen en beslissingen (de baas heeft gesproken en basta)
– In België zegt men ‘u’ tegen vreemden, wie meteen gaat ‘jij-en en jou-en’ wordt met een scheef oog bekeken. In Nederland spreekt de winkeljuffrouw je meteen aan met ‘jij’, wie ‘u’ gebruikt als aanspreekvorm wordt beschouwd als iemand die moedwillig afstandelijk wil doen.
– Belgen zijn barokker en lijken temperamentvoller - dan Nederlanders.
– Belgen hebben een baksteen in hun maag. Ze willen koste wat kost een eigen vrijstaand huis bouwen. Nederlanders lijken rijtjeswoningen, door anderen gebouwd ok te vinden. Belgen willen zelf aan de slag, elk detail in de woning zelf bepalen en vooral in een 'villa' wonen ook staat die in een fermettepark, beslaat de totale grondoppervlakte amper 200 vierkante meter en is er maar twee voet afstand tussen hun eigen tuin en die van de buurman.
– Nederlanders lijken alles te willen organiseren en ordenen, van de indeling van de openbare ruimte tot 'wild zones' zoals prositutie en druggebruik. In België is het op vele vlakken een administratieve janboel en totale wanorde maar dat lijkt weinigen te deren.
– Een Nederlandse sporter die een wedstrijd verliest zegt achteraf iets in de trant van: “ik heb goed gespeeld/een goede tijd neergezet maar helaas niet gewonnen”. Een Belgische wielrenner, tenniser of athleet gaat ervan uit dat het bij sport om het behalen van de zege gaat en als hij daar niet in slaagt krijgt de tv-reporter achteraf alleen gemopper, zelfverwijten en gescheld te horen.