De persoon in kwestie
Voor wie is dit kunstwerk eigenlijk bedoeld?

Door Tanja Karreman
Tussen de Regels, 19 September 2008

De grafisch ontwerpster en kunstenaar Annelys de Vet (1974) maakte onlangs in opdracht van de Rijksgebouwendienst een kunstwerk voor het nieuwe Openbaar Ministerie in Lelystad. Ze liet zich daarbij inspireren door de taak van het parket als hoogste hoeder van de openbare orde: het vertegenwoordigen van de samenleving als het gaat om het opsporen en vervolgen van wetsovertreders en misdadigers. Het werk van De Vet – eenentwintig verzonken lichtbakken met tekst – sieren de lange wand van de entreeruimte van het gebouw. Daar wachten mensen totdat ze verder naar binnen mogen, zodat het onmogelijk is om het kunstwerk niet te zien.


De creatie van De Vet oogt op het eerste gezicht helder en transparant, net zoals het gebouw zelf en zoals de meeste overheidsgebouwen die de afgelopen vijf jaar werden gebouwd ter compensatie van de tanende feitelijke toegankelijkheid. Het kunstwerk is duidelijk zichtbaar en de teksten zijn leesbaar voor iedereen, ook voor de passant die op straat het parket passeert. De Vet heeft zo het in alle opzichten rechte gebouw van architectenbureau Hootsmans het aanzicht gegeven van een ‘levend ding’ – vooral in de avond en nacht wanneer er, naar mate het donkerder wordt, steeds minder elementen verlicht zijn, totdat er slechts één blijft schijnen als een wakend oog over de veiligheid der burgers. Dit ene element dat dag en nacht brandt, heeft als tekst ‘De echo van de stilte’. Het kunstwerk is, kort gezegd, zo veelbetekenend en zo toegankelijk dat het bijna verdacht is.

In elk geval roept het werk van Annelys de Vet in Lelystad een baaierd van vragen op. De belangrijkste daarvan is wel: voor wie is dit werk eigenlijk bedoeld? Dit is geen irrelevante vraag. Bij kunstwerken in de openbare ruimte wordt ‘het publiek’ vaak als doelgroep verondersteld, maar zelden in het oog gehouden. In meer of mindere mate is het werk immers ‘voor iedereen’. Anderzijds kan kunst ook de identiteit van een plek, een omgeving of een gebouw versterken, en zich dus bedoeld of onbedoeld in verhoogde mate richten op een bepaalde groep. Daartegenover staat dan altijd weer het krachtenveld van de kunstconsument: mensen voelen zich aangesproken tot een kunstwerk, of juist niet.

Duidelijk is dat de vraag naar ‘de doelgroep’ direct of indirect altijd een rol speelt, zowel in de conceptie als in de receptie van het kunstwerk. Die rol wordt vaak onderbelicht, terwijl een poging tot antwoord op de vraag juist veel kan blootleggen over de aard van het kunstwerk. In een culturele context waarbinnen moderne kunst nog vaak als elitair, afstandelijk dan wel onbegrijpelijk wordt gezien, is het bovendien een vraag die de overheid als opdrachtgever niet blijvend kan ontlopen. Al was het maar om een visie te kunnen formuleren op het onlangs door de kunsttheoreticus Jeroen Boomgaard opgeworpen probleem van de rol van kunst in relatie tot de privatisering die de overheid doorvoert op tal van gebieden (inclusief de openbare ruimte). Boomgaard gaf zijn tekst over deze kwestie de titel Geschenken voor de publieke zaak mee en publiceerde het in het boek PRESENT dat een overzicht biedt van kunstopdrachten bij de overheid van de afgelopen jaren. Maar voor wie is het cadeau? Kan kunst nog wel een ‘geschenk’ zijn in een samenleving waarbinnen ‘het publiek’ of ‘de doelgroep’ niet meer bestaat?

Grootste opdrachtgever
Dat deze problematiek niet voorbij gaat aan Annelys de Vet, blijkt uit het feit dat het gebouw van het Openbaar Ministerie in Lelystad aan een muur teksten draagt zoals ‘De suggestie van macht’, ‘Het geloof in twijfel’, en ‘De snelheid van mening’. In veel opzichten zijn ze enigszins vergelijkbaar met de tekst die de Amerikaanse kunstenaar Sam Durant (1961) plaatste in een grote lichtbak op het dak van het Openbaar Ministerie in Arnhem: ‘NO lie can live for ever’. Zoals Durant met de tekst refereerde aan sociale misstanden tijdens de jaren twintig in de Verenigde Staten, zijn de teksten van De Vet een verwijzing naar de ondoorgrondelijke dynamiek van de media: hun macht en invloed, de wijze waarop ze worden geconsumeerd, en de verborgen betekenissen van hun boodschappen in het algemeen. Daarbij liet ze zich ondermeer inspireren door het succesvolle boek Het zijn net mensen van journalist Joris Luijendijk. Niet voor niets is de titel van het werk in Lelystad ‘Tussen de regels’, waarbij vragen naar de onafhankelijkheid en transparantie van het juridische systeem luid doorklinken.

Uit de titel van het kunstwerk van De Vet spreekt bijna achterdocht jegens de opdrachtgever. In zekere zin is die symptomatisch voor de verhouding tussen kunst en de staat: de overheid is een opdrachtgever die wanneer het kunst betreft – zeker in Nederland – bijna per definitie verdacht is (of lijkt te zijn), maar zonder welke het landschap van de beeldende kunst er tegelijkertijd een stuk schraler zou uitzien. Opmerkelijk is daarbij dat de Nederlandse overheid zich juist de grootste opdrachtgever voor kunstenaars in de wereld kan noemen, terwijl het relatief onbekend is dat op veel plekken in Nederland waar de overheidsgebouwen zich concentreren een enorme dichtheid aan kunstwerken bestaat. Die rijkdom is vaak onzichtbaar, en raakt meer en meer verscholen in gebouwen die de afgelopen jaren steeds minder gemakkelijk toegankelijk werden; met tourniquetten en beveiligingsmaatregelen wordt de toegang tot openbare gebouwen gecontroleerd, en in zekere zin ook tot de kunstwerken.

Alleen al in Lelystad bevinden zich op nog geen honderd vierkante meter een reeks kunstwerken die in het kader van de percentageregeling tot stand kwamen. Aan de zuidkant van het station, naast het Openbaar Ministerie met het kunstwerk van Annelys de Vet, staat voor de entree van de Rechtbank een beeld van Auke de Vries (1937), en bij de buren aan de andere kant worden bezoekers van de Raad voor de Kinderbescherming verrast met expressionistische verfuitspattingen van de Duitse schilder Katharina Grosse (1961). Deze collectie als geheel zou je kunnen beschouwen als een bijzondere vorm van ‘openbare rijkdom’, een omschrijving die de publicist Dirk van Weelden onlangs gaf aan kunst bij rijksgebouwen.

Al deze kunstwerken maken deel uit van een overheidscollectie die pas sinds een paar jaar professioneel beheerd en gearchiveerd wordt. Die collectie is het resultaat van een vijftig jaar lange stroom aan overheidsopdrachten die zijn oorsprong heeft in het genomen ministerraadbesluit uit 1951 over ‘decoratieve aankleding van rijksgebouwen’. Dit besluit resulteerde in 1953 tot de instelling van de percentageregeling. Heel anders dan nu was toentertijd de verheffing van het volk de doelstelling en het volk de doelgroep. In de naoorlogse wederopbouwperiode werd kunst een grote rol toegekend in de ‘opvoeding’, met persoonlijkheidsvorming en gemeenschapszin als speerpunten.

Opponerend
Destijds werd een – nog altijd actuele – discussie gevoerd over de relatie tussen cultuurbeleid en politiek-economische omstandigheden. Wellicht het opmerkelijkste resultaat daarvan was de mislukte poging om cultuur bij het ‘Ministerie van Oorlog’ onder te brengen, zodat een deel van deze sterk groeiende begroting voor kunst zou kunnen worden gereserveerd. Binnen dit kader werd zelfs geopperd de dienstijd als culturele scholing in te vullen. Hoewel dit allemaal niet doorging, was één ding duidelijk: de legitimiteit van kunstopdrachten voor opdrachtgevers stond niet ter discussie en werd rechtsreeks gerelateerd aan doelstelling en doelgroep.

Een groter contrast met de huidige situatie is niet denkbaar. Door de sterke terugtrekkende beweging van ‘de overheid’ dreigt een ontwikkeling waarbij kunst uiteindelijk in het private ‘biedingspakket’ tussen de wc-brillen en de koffieautomaten terecht gaat komen. Zover is het nog niet en voorlopig valt de garantie van de kwaliteit van kunst onder de verantwoordelijkheid van de Rijksbouwmeester. Maar de verschillen zijn wel degelijk groot. Waar vroeger de kunst in dienst stond van de architectuur, wordt nu een hoge mate van ‘vrijheid’ toegekend en verwacht; en waar de kunst voorheen ‘illustrerend’ was, is ze nu vaak ‘opponerend’ met relativerende kanttekeningen en twijfels. Ook het toenmalige geloof in de vooruitgang van de samenleving staat in schril contrast met het huidige culturele klimaat van diversiteit, fragmentering en scherpe tegenstellingen.

Corporate Identity
Het wordt dikwijls betoogd dat precies in die relativering de kracht en de legitimatie van kunst in de openbare ruimte schuilt, en dat dit in het bijzonder geldt bij rijksgebouwen. Zo stelde de al genoemde kunsttheoreticus Jeroen Boomgaard onlangs dat de opdracht van een nieuwe invulling van kunst bij Rijksgebouwen juist is om het ‘afwijkende geluid te laten horen’. De notie van kunst als ‘tegen­kracht’ klinkt aardig en bekend, maar we we­ten ook dat de werkelijkheid een stuk gecompliceerder is. In de kunstcommissie die bij elke opdracht wordt samengesteld, zijn niet alleen de rijksbouwmeester, de architect en de opdrachtgever maar vooral ook de ‘gebruikers’ van het gebouw vertegenwoordigd. Voordat een kunstenaar de opdracht krijgt, maakt de kunstadviseur een inventarisatie van de mogelijkheden en verwachtingen. Deze vormen het kader voor de selectie van de kunstenaars en zijn uiteindelijk bepalend voor keuzes en ontwerp. In het ontwerpproces zijn er vervolgens een aantal ‘toetsmomenten’ die draagvlak en goedkeuring garanderen.

In het geval van het kunstwerk voor het Openbaar Ministerie in Lelystad was één van de belangrijkste wensen van de opdrachtgever dat de kunst niet alleen ‘beleefbaar’ zou moeten zijn voor de gebruikers maar dat het werk zich zou richtten tot ‘het publiek’, zodat ‘de openbaarheid’ van het Openbaar Ministerie in een anderszins gesloten gebouw werd beklemtoond. Met de keuze voor het werk van Annelys de Vet uit drie ontwerpen ging het Openbaar Ministerie bedoeld of onbedoeld nog een stap verder dan de aankoop van een autonoom kunstwerk dat een vermeende juridische tunnelvisie relativeerde. Er was immers sprake van een in architectonisch opzicht verregaande integratie tussen kunstwerk en bouwwerk. Er ontstond een intensieve samenwerking tussen kunstenaar en het architectenbureau Hootsmans, die ook het interieur ontwierp. Aldus werden de nissen met de lichtbakken afgestemd op het ontwerp van de entreeruimte en vanuit die optiek ingebouwd in de muur. De eenheid wordt verder benadrukt door materiaalkeuze en kleurstelling.
Uiteindelijk maakt het werk van Annelys de Vet in esthetisch opzicht zo volledig deel uit van het design en is het geheel en al geïntegreerd in de binnenhuisarchitectuur. Het gevaar dat hierbij dreigt, is helder, en is zelfs des te nijpender bij de publiekprivate samenwerking: de kunst gaat in het ‘democratische’ proces van de totstandkoming van het project deel uitmaken van de corporate identity van de klant. Daarmee wordt de doelgroep van deze kunst wel heel duidelijk – angstaanjagend duidelijk.

Persoon in kwestie
Vanuit dit perspectief is het nuttig opnieuw naar het kunstwerk van Annelys de Vet te kijken. Daarbij valt op dat de entree van het Openbaar Ministerie van Lelystad uit twee delen bestaat; er is de ontvangsthal met balie (afgeschermd door glas), en de wachtruimte daarachter, gescheiden door een glazen wand. Overigens is de ingang voor het personeel van het Openbaar Ministerie aan de achterkant van het gebouw, bij de parkeerplaats en fietsenstalling. Behalve het baliepersoneel komen aan de voorkant dus geen juridische gezagsdragers naar binnen, maar slechts ‘personen in kwestie’.

Persoon in kwestie, neem plaats! Ik ga zitten en beeld mij in ‘persoon in kwestie’ te zijn. Dezelfde tegenstrijdigheid die spreekt uit de teksten, ervaar je in deze ruimte. Eerst denk je nog dat de lichtwand, een welkome afleiding is; een spel van licht en kleur in pasteltinten. Toch voelt men zich zo onder de lichtbakken al snel verdachter dan je al bent in deze ruimte. Je zit liever niet met het gezicht naar de straatzijde, maar staren naar deze lichtbakken met grote letters op anderhalve meter afstand is ook niet te doen. Uiteindelijk kun je niet anders dan je gezicht naar de buitenwereld richten. Daar zit je dan als ‘persoon in kwestie’: wie is hier nu aanklager, rechter, verdacht, schuldig?

Niets is wat het lijkt. Wat zacht lijkt, is hard, wat aan iedereen gericht lijkt, is bedoeld voor die ene persoon in kwestie, wat herkenbaar lijkt, is confronterend, wat comfortabel lijkt, is ongemakkelijk, wat zwakte lijkt, wordt kracht. Annelys de Vet heeft in Lelystad een eigentijdse context gemaakt voor kunst bij rijksgebouwen, met als voornaamste kracht juist het ontbreken van een duidelijke doelgroep, en het introduceren van omgekeerde volksverheffing en een immer wisselend perspectief. Alles beter dan onderdeel uit te maken van de quasihelderheid van een corperate identity. Zij zag het gevaar, en wist eraan te ontsnappen.

Tanja Karreman is adviseur beeldende kunst, Atelier Rijksbouwmeester